Muzikaal woordenboek
Archief Overige hobby's
Dit onderwerp is gesloten. Het plaatsen of bewerken van berichten is niet mogelijk


muziekeddy



Regelmatige bezoeker
Regelmatige bezoeker
Lid sinds: 9-2-2007
Antw.: 60
Zo Feb 11, 2007 7:03 pm Reageer met quote

Dit is de eerste topic die ik aanmaak van de hopelijk vele die er zullen volgen.
Met dit muzikaal woordenboek wil ik alle liefhebbers van klassieke muziek een beetje wegwijs maken in de vele termen en gebruiken die deze muziek wel heeft.
Soms kun je het bos door de bomen niet meer zien.
Voor de bronnen heb ik de bereidwillige medewerking van Wikipedia, deze is copyrightvrij.
Er zal altijd een nieuwe bladzijde geopend worden als er nieuwe termen of begrippen worden gelanceerd, zodat iedereen ook kan reageren of zelfs aanvullingen maken.



Partituur
Een partituur (van Italiaans: partitura, indeling) is in de muziek het volledige overzicht, meestal op papier, van een muziekstuk, waarin alle afzonderlijke partijen onder elkaar genoteerd staan. De dirigent kan in de partituur met één blik het totale verloop van de muziek overzien. Bij symfonische werken beslaat elke regel uit een partituur vaak een volledige bladzijde.
De componist of arrangeur is degene die de partituur samenstelt.
De diverse instrumentgroepen worden vooraan het systeem gegroepeerd door middel van een een haak. Een accolade in plaats van een haak geeft aan dat meerdere notenbalken bij één bespeler horen zoals het geval is bij een piano, harp, accordeon of orgel.
Bij composities voor het klassieke orkest, is er een specifieke partituurvolgorde, deze omschrijft de volgorde, van boven naar beneden, waarin de notenbalken dienen te worden geplaatst. De partituurvolgorde rangschikt de instrumenten volgens de diverse instrumentgroepen, en bovendien van hoog naar laag.

Suite
Een Suite is een muziekgenre dat tussen de 16de en de 18e eeuw werd gecomponeerd. Het is een opeenvolging van verschillende gestyleerde dansen in verschillende tempi, maar in dezelfde toonaard. De Suite wordt gespeeld door een solo instrument of door een klein orkest. Een gelijke benaming voor een suite is partita of ouverture.
De klassieke Suite ontstond uin Frankrijk rond 1650 en heeft de volgende volgorde in de dansen:
1. Allemande
2. Courante
3. Sarabande
4. Gigue
Dit kernschema werd meestal uitgebreid met andere dansen:
• Menuet
• Gavotte
• Chaconne
• Passepied
• Bourrée
• Rondeau
Hieraan konden weer vrijere dansstukken aan toe worden gevoegd zoals:
• Ouverture (ook wel Prélude of Préambule genoemd)
• Air
• Badinerie
• Réjouissance
Naast Frankrijk, was het genre ook populair in Duitsland (Bach, Telemann), Engeland (Händel, Purcell), Italië en België.
De grote bloeitijd van de Suite eindigde omstreeks 1750, het einde van de barokmuziek.
Archaïserend (een oude stijl nabootsend) hebben latere componisten nog wel Suites geschreven, bijvoorbeeld Edvard Grieg met Aus Holbergs Zeit, Opus 40, Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (o.a. de suite Mozartiana), Carl Nielsen's Kleine suite, Sergej Rachmaninovs Suite, Richard Strauss Le bourgeois gentilhomme en Ottorino Respighi's drie suites Antiche arie ed danze. Ook stelden componisten suites samen uit delen van hun opera's en balletten, zoals Zoltán Kodály met zijn Hary Janos-suite en Igor Stravinsky voor vele van zijn balletten.
Enkele hedendaagse componisten schreven Suites van gestyleerde moderne dansen. Hierbij kan men denken aan Paul Hindemiths Suite 1922.


Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur e-mail


Advertentie











muziekeddy



Regelmatige bezoeker
Regelmatige bezoeker
Lid sinds: 9-2-2007
Antw.: 60
Ma Feb 12, 2007 11:55 am Reageer met quote

Glissando
Glissando is de Italiaanse muziekterm voor het glijden van de ene toon naar de andere op muziekinstrumenten die zich daarvoor lenen zoals: viool, trombone, zang. Op andere instrumenten zoals een piano is een glissando alleen chromatisch mogelijk, op bijvoorbeeld klarinet wordt het veelal uitgevoerd met gebruik van een combinatie van kleppen- en riettechniek, waardoor het een zeer instrumentspecifieke klank verkrijgt.
The Rhapsody in Blue van George Gershwin begint met een glissando van een klarinet.
Een verwante techniek is portamento. Hierbij laten doorgaans alleen begintoon en eindtoon een indruk van toonhoogte achter; de tussenliggende tonen worden niet noodzakelijkerwijs gespeeld. Verwarrend genoeg wordt een glissando op een MIDI-synthesizer meestal aangeduid als 'portamento'.

Concerto
Concerto (uit het Italiaans "samen met") is de benaming voor een vorm van compositie waarbij verschillende groepen met elkaar dialogeren. Het voornaamste kenmerk is dat de solistische partijen een belangrijke functie hebben. Later werd het dan ook soloconcerto genoemd. De benaming concerto werd voor het eerst gebruikt bij Lodovico Grossi da Viadana in 1602 in zijn Concerti Ecclesiastici, motetten voor stemmen en orgel. Deze techniek groeide langzamerhand uit tot de concerti de chiesa. Het vormschema was dat van de sonata da chiesa en van Italiaanse ouverture. Als schepper van het instrumentaal concerto da camera dient Giuseppe Torelli genoemd. De door hem gebruikte bezetting (twee violen en bas) werd later door Arcangelo Corelli, Francesco Geminiani, Antonio Vivaldi, e.a. ontwikkeld en bereikte zijn hoogtepunt bij Johann Sebastian Bach en Georg Friedrich Händel.
In de eerste plaats verschafte het concerto aan de solist de mogelijkheid zijn talent te etaleren. Bekend zijn bijvoorbeeld de bravoureconcerto's van Paganini.
Er zijn diverse soorten concerto's
• het concerto grosso voor een orkest van groep solisten, meestal strijkers. De Brandenburgse concerto's van J.S.Bach zijn hier een goed voorbeeld van.
• het concertina, een korter werk voor een kleiner orkest.
• een soloconcerto, verder gespecifieerd naar het instrument: klarinetconcerto, vioolconcerto, celloconcerto, orgelconerto,....
• een concerto voor twee of drie instrumenten met orkest heet respectievelijk een dubbelconcerto of een tripelconcerto.
Concerto's bestaan meestal uit drie delen die door korte pauzes van elkaar gescheiden zijn. Het eerste deel is vaak een diepgaand en snel deel en opgebouwd volgens de sonatevorm. Daarna volgt dan een langzaam deel en ten slotte een snel deel, dat minder diepgaand is, vrolijker en ook bedoeld om de solist de gelegenheid te geven zijn virtuositeit te tonen. Vlak voor het einde van het eerste deel zit meestal een Cadenza. Een vrijer gedeelte, voor het eerst gebruikt door Händel, waarbij het orkest stil is en de solist een improvisatie kan laten horen. Deze cadens is vaak virtuoos, en werd in negentiende eeuw belangrijker, gezien de drang naar virtuositeit.
Het moderne concerto, gebouwd op de principes van het oudere genre, houdt vóór alles aan het stellen van een enkel instrument tegenover het orkestensemble. Dat ene instrument is dikwijls een piano of viool, maar in principe komen alle orkestinstrumenten daarvoor in aanmerking: hobo, hoorn, klarinet, harp, cello, dwarsfluit,... en natuurlijk de menselijke stem. Zelfs minder traditionele instrumenten hebben inmiddels hun plaats veroverd, zoals bijvoorbeeld het Concierto de Aranjuez voor gitaar. Het spreekt vanzelf dat hierbij alle kans wordt gegeven aan een ver doorgedreven virtuositeit. Het solistenthema wordt hierbij gewoonlijk aangekondigd door een tutti van het orkest, de sologedeelten worden door het orkest slechts onderstreept. Dit laatste krijgt dan nog slechts een begeleidende rol toegewezen.
Wat de algemene vormgeving betreft, vertoont het eerste gedeelte van de compositie gewoonlijk alle kentekenen van de sonatevorm (exposite, doorwerking en herhaling). Het tweede gedeelte, in meer lyrische stijl gehouden, is een trage beweging, terwijl de finale dikwijls in rondovorm (A – B – A – C – A – B’ – A) gecomponeerd
Tot de voornaamste klassieke werken in het genre behoren de concerto’s van Wolfgang Amadeus Mozart en Ludwig van Beethoven. Voor de romantische periode dienen o.a. te worden vernoemd Felix Mendelssohn Bartholdy, Robert Schumann, Frederik Chopin en de laat–romanticus Johannes Brahms. Verder nog Edvard Grieg, Pjotr Iljitsj Tsjaikovski, Camille Saint-Saëns, Sergej Rachmaninov, Antonín Dvořák en anderen. Ten slotte dient nog de moderne concertocompositie te worden vernoemd, met namen als Aaron Copland, George Gershwin, Sergej Prokofjev, Igor Strawinski, Maurice Ravel, Paul Hindemith
Bij de Koningin Elisabethwedstrijd staat ook altijd een piano- resp. vioolconcerto voor de kandidaat op het programma.

Symfonie
Een symfonie (van het Oudgrieks, 'samen klinken') is een muziekstuk dat door een aantal instrumenten tegelijk wordt gespeeld zonder dat er één of een groepje duidelijke solo-instrumenten zijn die een hoofdrol spelen. (Anders wordt het een concert of een concerto grosso.) Meestal worden symfonieën gespeeld door een symfonieorkest, bestaande uit
• strijkers: 1e violen, 2e violen, altviolen, celli, contrabassen;
• houtblazers: fluit(en) en/of piccolo('s), hobo('s), klarinet(ten), fagot(ten) en /of contrafagot(ten);
• koperblazers: hoorns, trompetten, trombones en tuba's;
• slagwerk het eenvoudigst in de vorm van pauken, maar meestal aangevuld met allerlei andere slagwerkinstrumenten als grote en kleine trom, triangel enz.
De bezetting van het orkest hangt af van de compositie die wordt uitgevoerd. De behandeling van de instrumenten in het orkest (de instrumentatie) is in de loop van de geschiedenis sterk veranderd en aangepast aan de heersende smaak of nieuwe mogelijkheden van de instrumenten. Vernieuwers waren onder meer Hector Berlioz en Richard Strauss.
Een klassieke symfonie (vanaf het midden van de 18e eeuw) bestaat meestal uit drie of vier delen. Het eerste deel heeft de sonatevorm. De symfonie begint dikwijls met een snel deel (al dan niet met een introductie), dan volgt een langzaam middendeel, een weer sneller derde deel, bij Mozart en Haydn meestal een Menuet, sinds Beethoven echter meestal een scherzo (een parodie op het menuet, die de val van de adel sinds de Franse Revolutie symboliseerde), en tenslotte een vierde deel met soms een coda als sluitstuk. Traditionele componisten hielden zich vast aan dit schema, maar onder invloed van de Romantiek kregen de symfonieën soms hele andere vormen (eendelig (bijv. Sibelius 7e) , tweedelig: Liszt, Dante symfonie, Mahler 8) of juist meer dan vier delen (Mahler 2, 3, 5). Anton Bruckner hield zich aan de traditionele vorm van vier delen maar introduceerde in zijn doorwrochte contrapuntische meesterwerken vanaf de 2e symfonie (1872) het derde thema. Daarmee bracht hij de symfonie op een nog hoger plan. De doorvoering van drie geëxposeerde thema's werden ware compositorische kunststukken. De lengte van de symfonie werd met Bruckner tot ruim anderhalf uur uitgestrekt, bij Mahler soms tot bijna twee uur muziek. Havergal Brian is recordhouder met zijn eerste symfonie (The Gothic uit 1915) die bijna drie uur duurt een een gigantische bezetting van koor en orkest vraagt. De klassieken kenden symfonieën soms thema's en namen toe maar onder invloed van de Romantiek kregen de werken soms uitgebreide (literaire) programma's mee. Liszt introduceerde het symfonische (eendelige) gedicht dat een programma (een duidelijk literair thema) vertolkte. Richard Strauss trad in zijn voetsporen.
Veel klassieke componisten hebben enkele tot grote aantallen symfonieën geschreven, Mozart meer dan veertig, Haydn 106. De grote Romantici produceerden er doorgaans minder: Beethoven 9, Schubert 10 (2 niet compleet), Schumann 4, Brahms 4, Bruckner 11 (inclusief de studiesymfonie (1863) en de nulde (1869)), Mahler 10 (de laatste onvoltooid), Tjaikowski 7 (inclusief de Manfredsymfonie), Sibelius 7, Sjostakovitsj 15 etc.
Over het bereiken en overschrijden van het componeren van 9 symfonieën is een aardige mythe. Het 9de Symfonie Syndroom.
In de 19e eeuw beleefde de symfonie als genre zijn grootste bloei en ontwikkeling. Sommige van de beroemdste symfonieën zijn de 3e (Eroica), 5e, 7e en 9e (Ode an die Freude, voor het eerst met vocale (koor en solisten) inbreng van Beethoven, de 40ste en 41ste (Jupiter) van Mozart, de 'Unvollendete' (No.8) van Schubert, de Symphonie fantastique van Berlioz, de 4e (Romantische), 7e en 9e van Bruckner, de 5e en 8ste (Sinfonie der Tausend) van Mahler.
De 20ste eeuw kent wel componisten van symfonieën, maar weinig componisten hebben getekend voor een hele reeks. Charles Ives met zijn 4 en Matthijs Vermeulen met zijn 7 symfonieën vormen de uitzonderingen die de regel bevestigen.


Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur e-mail


muziekeddy



Regelmatige bezoeker
Regelmatige bezoeker
Lid sinds: 9-2-2007
Antw.: 60
Di Feb 13, 2007 12:06 pm Reageer met quote

Staccato

Staccato is een term uit de muziek, die aangeeft dat de noten los van elkaar gespeeld moeten worden. De lengte van elke noot wordt korter en er is een korte stilte hoorbaar tussen elke twee noten. Het tempo van het muziekstuk blijft hierbij gelijk.

Staccato wordt genoteerd met een punt boven elke noot. Het wordt een enkele keer ook wel afgekort met stacc.

Het woord staccato komt zoals veel muziektermen uit het Italiaans: van het woord staccare, wat losmaken of lostrekken betekent.

Staccatissimo is daarentegen de overtreffende trap van staccato, waarbij dus zeer overdreven staccato wordt gespeeld. Het tegenovergestelde van staccato is legato. Duurarticulatie tussen staccato en legato in wordt non-legato genoemd (soms ook wel onjuist tenuto)

In de dans wordt met staccato bedoeld, dat de bewegingen duidelijk begrensd moeten zijn, waarbij elke beweging een duidelijk begin en einde heeft.

Dynamiek (muzieknotatie)

In muzieknotatie is het gebruikelijk om het (relatieve) volume waarmee een noot gespeeld moet worden aan te geven met dynamiektekens.

n niente - volledig stil
ppp pianissimo possibile - zo zacht mogelijk
pp pianissimo - zeer zacht
p piano - zacht
mp mezzopiano - gematigd zacht
mf mezzoforte - gematigd luid
f forte - luid
ff fortissimo - zeer luid
fff fortissimo possibile - zo luid mogelijk
In veel eigentijdse muziek worden nog extremere dynamische verschillen aangeduid met bijvoorbeeld pppppppp en ffffffff. Een dergelijke uitbreiding van het aantal dynamische niveaus is enigszins dubieus, aangezien het verschil tussen ff en ffffffff altijd (veel) kleiner zal zijn dan dat tussen f en p. Zulke extreme tekens hebben meer een psychologische betekenis voor de uitvoerder dan dat zij ook werkelijk in akoestische zin realiseerbaar zijn.

Andere aanduidingen zijn:

sf sforzato - een plotseling accent aan het begin van de noot
rfz rinforzando - de noot tijdelijk luider maken terwijl hij klinkt
fp fortepiano - de noot luid beginnen en plotseling zacht laten doorklinken
Naast deze tekens, die een plotselinge dynamische verandering aangeven (terrassendynamiek), zijn er nog aanduidingen als crescendo (luider worden) en diminuendo of decrescendo (zachter worden) om aan te geven dat de dynamiek geleidelijk dient te veranderen.


Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur e-mail


Valentijntje



Superlid
Superlid
Lid sinds: 10-3-2006
Antw.: 1418
Woonplaats: Terwijde sur Mer
Di Feb 13, 2007 6:58 pm Reageer met quote

Eddy, wij kwamen laatst bij een muziekstuk "sp" tegen. Niemand , ook de dirigent wist, wat dat betekende. Weet jij dat toevallig ?


Als ieder mens op deze wereld één mens gelukkig maakt, is iedereen gelukkig.
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Bekijk de homepage


muziekeddy



Regelmatige bezoeker
Regelmatige bezoeker
Lid sinds: 9-2-2007
Antw.: 60
Wo Feb 14, 2007 11:38 am Reageer met quote

Valentijntje.

Zet uw vraag eens in het onderwerp "Vraag en antwoord".
Deze is speciaal gemaakt voor dit soort vragen.
Ikzelf heb het ook nog niet gevonden, maar blijf zoeken.


Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur e-mail


muziekeddy



Regelmatige bezoeker
Regelmatige bezoeker
Lid sinds: 9-2-2007
Antw.: 60
Wo Feb 14, 2007 11:53 am Reageer met quote

Etude

Een Etude is in de muziek een oefenstuk dat wordt gespeeld om de techniek van de musicus op een hoger niveau te brengen. Het Franse woord etude betekent letterlijk studie.

Anderzijds is een etude ook een compositie voor recitals waarvan de naam nog slechts te verklaren is uit de speciale behandeling van een speeltechnische moeilijkheid.

De vorm van de etude is meestal driedelig. Het middendeel onderscheidt zich van de beide hoekdelen door verandering van toonaard of door concentratie op andere speelfiguren.

In het piano-onderricht zijn met name de etudes van Carl Czerny roemrucht geworden. Ook binnen het vioolrepertoire en voor andere instrumenten zijn er etudes geschreven.

Enkele componisten van etudes voor de piano(in chronologische volgorde)
Muzio Clementi
Carl Czerny
Fryderyk Chopin
Franz Liszt
Aleksandr Skrjabin
Claude Debussy


Sonate

Een sonate is een muziekstuk met meestal een vaste opbouw uit meerdere delen. In de klassieke periode van Mozart, Haydn en Beethoven had de sonate een vaste specifieke vorm. Zo vormde de sonate altijd drie delen, waarbij het eerste deel weer een speciale opbouw had in de vorm A-B-A-B-C-A-B. Thema A en B zijn vrij standaard klassiek gemakkelijk hoorbare melodiëen. Tijdens de eerste helft van dit deel eindigt thema B altijd in een andere toonsoort (bijvoorbeeld de vijfde trap) dan de toonsoort van thema A, behalve op het eind, zodat het eerste deel alsnog eindigt in dezelfde toonsoort waarmee het begonnen was (van A dus). Vervolgens is het tweede deel vaak een rustig gedeelte, wat zo af en toe treurig uit de verf kan komen. Tot slot wordt er geëindigd met een fris humoristisch rap deel, dat vaak een rondo genoemd wordt. Het moet de luisteraar weer opbeuren, zodat deze qua luisteren een afgerond stuk van drie delen heeft gehoord.

Zo rond 1800 werd een verandering in die vorm gebracht door Beethoven. Er werd niet zo strak aan het schema gehouden. Een voorbeeld is de Sonate Pathetique, waarbij begonnen wordt met een zwaarmoedige intro, die in het midden en op het eind nog eens opdoemt, hetzij wat verkort. De verwijdering van het strakke schema werd in de loop van Beethovens leven groter en groter. Aan het principe van 3 delen werd niet meer zo gehouden en, om nog een voorbeeld te geven, één van Beethovens laatste sonates (opus 110) eindigt met een fuga, iets wat toen 30 jaar geleden ondenkbaar zou zijn geweest. Na Beethoven zijn er uiteraard ook verschillende sonates geschreven door andere componisten. Zo is de tweede sonate van Chopin (in Bes-klein, opus 35) eigenlijk alleen bekend door het derde deel, de marche funebre. Liszt heeft van zijn sonate b een monsterwerk, dat niet gemakkelijk in het oor ligt, gemaakt, dat ongeveer een half uur duurt. Diezelfde lengte geldt ook bijvoorbeeld voor Brahms, die maar liefst 5 compleet van elkaar verschillende delen in zijn derde pianosonate (opus 5) verwerkte.

Bekend zijn o.a. de orgelsonates van Bach, maar ook bijvoorbeeld vioolsonates, cellosonates van andere componisten uit de klassieke en romantische periode.


Sonatevorm

De sonatevorm (in het Nederlands ook wel hoofdvorm genoemd) is een vormtype uit de muziek, dat onder andere in het eerste deel van een symfonie voorkomt.

De sonatevorm kenmerkt zich door haar driedelige opbouw: expositie - doorwerking - reprise, als een verhaal met een opening, een uitwerking en een recapitulerend slot. De reprise wordt ook vaak re-expositie genoemd.

Typerend voor de sonatevorm is de dialectische uiteenzetting door middel van twee (soms zelfs drie) thema's of themagroepen. De thema's zijn doorgaans contrasterend, bijvoorbeeld de één een duidelijk statement, en de ander meer zoekend, peinzend. De thema's hebben in de expositie ook altijd contrasterende toonsoorten: het eerste in de hoofdtoonsoort, het tweede in de dominanttoonsoort

In mineur is het gebruikelijk dat het tweede thema in de majeur paralleltoonsoort klinkt. Om van toonaard of toonsoort te veranderen wordt tussen beide thema's vaak een brug geplaatst. Na de expositie komt vaak de zogenaamde codetta: een kleine staart. Hierin wordt de expositie afgesloten, vaak met een stukje muziek dat in de coda (zie verderop) ook wordt gebruikt. In de doorwerking zijn delen van de beide thema's in vele toonsoorten te horen, en wordt meestal naar een synthese van beide thema's gestreefd. Hierin is een verwantschap met de Hegeliaanse dialectiek te vinden: these - antithese - synthese. In de muziek zijn het eerste en tweede thema: these en antithese.

De synthese is als proces in de doorwerking, als resultaat in de reprise hoorbaar, omdat daar beide thema's in de hoofdtoonsoort te horen zijn. In de doorwerking worden ook vaak de brug en de codetta verwerkt, of kan zelfs nog nieuw thematisch materiaal opduiken. Na de re-expositie bevindt zich vaak een coda of staart, die het stuk afsluit.

De sonatevorm wordt niet altijd zoals hierboven beschreven gebruikt; er zijn vele variaties mogelijk. Dit is slechts een basisvorm.


Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur e-mail


muziekeddy



Regelmatige bezoeker
Regelmatige bezoeker
Lid sinds: 9-2-2007
Antw.: 60
Do Feb 15, 2007 11:56 am Reageer met quote

Opus

Een opus is een enkelvoudige muzikale compositie. Het is een Latijns woord dat 'werk' betekent. Het meervoud is opera.

De werken van sommige componisten worden vaak 'Opus #' genoemd, waarbij # een nummer is. De toegekende nummers volgen over het algemeen de volgorde van compositie of die van publicatie.
Bij sommige componisten worden de werken anders geschikt, volgens een meer inhoudelijke rubricering, zoals de Hoboken-indeling voor het werk van Josef Haydn, of de Bach-Werke-Verzeichnis voor Johann Sebastian Bach.


Programmamuziek

Muziek die weergeeft wat letterlijk pro gramma (Grieks; voorgeschreven) is. Het gaat meestal om instrumentale muziek en het voorgeschrevene ligt buiten de muziek zelf zoals een verhaal, schilderij, landschap, gedicht.

Een van de vroegste voorbeelden van programmamuziek is het symfonisch gedicht de Vier jaargetijden van Antonio Vivaldi.

Beethoven gebruikte een programma voor zijn zesde symfonie. In de negentiende eeuw kwam het genre tot bloei in de werken van Hector Berlioz en Franz Liszt. Aan de Symphonie fantastique van Berlioz ligt zelfs een uitgebreid geschreven programma ten grondslag, dat de toehoorders bij een uitvoering uitgereikt kregen.

Hier volgt een vrije vertaling van "De Lente" (La Primavera) van Antonio Vivaldi uit de Vier jaargetijden.


De Lente

De blije lente is gekomen
De vogels verwelkomen ze al zingend
Door de adem van de wind bewogen
vloeien zacht murmelende beekjes
Als een zwarte mantel de hemel bedekt
kondigen donder en bliksem de storm aan.
Wanneer deze tot zwijgen zijn gekomen
herbegint de leeuwerik zijn gezang.
In de weide wol bloemen
bij het zachte geritsel van de bladeren
slaapt de herder met zijn waakzame hond aan zijn zijde.
Bij het geluid van een pastorale doedelzak
dansen de nimfen en de herders op hun lievelingsplekje
terwijl de lente in al haar glorie ontwaakt.

Als je dit gedicht volgt terwijl je naar de muziek luistert kan je de verschillende elementen (vogels, wind, beekjes, etc) achtereenvolgens in de muziek horen.


Allegro
Allegro is een van oorsprong Italiaanse muziekterm waarmee het karakter van een muziekstuk wordt aangegeven: "vrolijk", "opgewekt" of "levendig". Een levendig stuk muziek impliceert een wat hoger tempo; langzaam en levendig sluit elkaar ongeveer uit. Allegro behoort tot de snelle tempi. Het metronoomcijfer komt neer op 126 tot 138, dus 126 tot 138 tellen per minuut. De meer gebruikelijke interpretatie van allegro is derhalve een snel tempo.


Allegretto

Allegretto is een van oorsprong Italiaanse muziekterm die aangeeft in welk tempo gespeeld moet worden. Allegretto betekent "een beetje allegro". Een allegretto is iets minder snel maar ook sierlijker dan een allegro. Allegretto behoort tot de matig snelle tempi. Het metronoomcijfer komt neer op 108 tot 120, dus 108 tot 120 tellen per minuut.


Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur e-mail


muziekeddy



Regelmatige bezoeker
Regelmatige bezoeker
Lid sinds: 9-2-2007
Antw.: 60
Vr Feb 16, 2007 12:42 pm Reageer met quote

Scherzo

(It; scherts, grap). Levendig muziekstuk met een vrolijk karakter. Meestal het derde, soms het tweede deel van een symfonie, vanaf Beethoven in de plaats van het menuet. Het is dan sneller en humoristischer van karakter.
muziekstuk met schertsend karakter. Kreeg ca.1800 met een vast type door Beethoven: een snel menuet, een trio, met humoristische accenten, hoekige contouren, staccato-effecten en heftig dynamische tegenstellingen. Komt voor als onderdeel van grote werken en als zelfstandig muziekstuk onder meer in pianomuziek.

schertsend: aanduiding voor een muziekwerk met luchtig en schertsend karakter.Scherzo




Tremolo

Tremolo (Italiaans voor trillend) is een manier van toonvorming die vooral op snaarinstrumenten wordt toegepast, door de snaar voortdurend snel achter elkaar aan te slaan of aan te strijken. Dit levert vaak een 'spannende' klank op.

Tremolo is ook een geluidstechnisch effect waarbij de versterking van een signaal cyclisch gemoduleerd wordt. Dit gebeurt meestal door middel van een laagfrequente oscillator. Het effect wordt vaak toegepast bij gitaarversterkers en elektronische piano's. Technisch is dit gelijk aan amplitudemodulatie.


Tremolo (gitaaronderdeel)



Floyd rose tremolo-systeem: I Basispositie, II Verlaging toon (ontspanning snaar), III Verhoging toon (aanspanning snaar)

Een tremolo (Italiaans voor "trillend") of whammy bar is een soort hefboom gemonteerd op een elektrische gitaar die er voor zorgt dat de mensuurlengte van de snaren kan variëren. Hierdoor wordt de toonhoogte van de op dat moment aangeslagen snaar (snaren) iets verhoogd of verlaagd en ontstaat een vibrato-effect op alle snaren tegelijk.

De Britse popgroep The Tremeloes hebben zich naar dit instrumentje genoemd.


Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur e-mail


muziekeddy



Regelmatige bezoeker
Regelmatige bezoeker
Lid sinds: 9-2-2007
Antw.: 60
Za Feb 17, 2007 2:33 pm Reageer met quote

Barokmuziek

Barokmuziek is een vorm van westerse klassieke muziek, ontstaan tijdens de barokperiode.

Als stijl was het de opvolger van de Renaissancemuziek. De periode waarin voornamelijk barokmuziek werd gecomponeerd wordt geplaatst tussen ca. 1600 (de opkomst van de monodie, onder anderen door Monteverdi) en 1750, het sterfjaar van Johann Sebastian Bach.

Jacob Burckhardt gebruikte in 1855 als eerste de term "barok" om een bepaalde stijlperiode in de kunst aan te duiden. Ruim een halve eeuw later werkte Alois Riegl de stijlkenmerken verder uit in zijn boek Die Entstehung der Barockkunst in Rom.

De barokmuziek kon in het bijzonder gedijen door de bloeiende muziekcultuur aan de diverse Europese vorstenhoven. Veel rijke hooggeplaatsten hadden musici/componisten in dienst en/of fungeerden als hun mecenas. Veel hoogtijdagen en festiviteiten werden opgeluisterd door speciaal voor die gelegenheid in opdracht gecomponeerde werken. Ook ten behoeve van kerkelijke erediensten werden in het tijdperk van de barok nieuwe muziekvormen ontwikkeld.

Kenmerken van barokmuziek

Kenmerken van barokmuziek zijn onder andere:
Monodie op basis van basso continuo
Affektenleer als leidraad voor de muzikale expressie
Harmonisch contrapunt
Opera's met thema's uit de Griekse en Romeinse mythologie
Typisch instrumentale vormen, zoals het concerto grosso en de suite, bedoeld voor uitvoering in adellijke kringen
Adellijke dansvormen, zoals o.a. allemande, bourrée, gavotte, menuet, sarabande

Vormen van barokmuziek

Vormen van barokmuziek zijn onder andere:
Aria
Canon
Cantate
Concerto
Dramma per musica
Fuga
Koraalbewerking
Madrigaal
Mis
Opera
Oratorium
Partita
Passiemuziek
Suite

Componisten van barokmuziek

Claudio Monteverdi (1567-1643)
Adriano Banchieri (1567-1634)
Salamone Rossi (1570-ca.1630)
Michael Praetorius (ca.1571-1621)
Francisco Correa de Arauxo (ca.1575-na 1633)
Gregorio Allegri (1582-1652)
Girolamo Frescobaldi (1583-1643)
Heinrich Schütz (1585-1672)
Johann Schein (1586-1630)
Francesca Caccini (1587-ca.1640)
Samuel Scheidt (1587-1654)
John Jenkins (1592-1678)
Cornelis Padbrué (ca. 1592–1670)
Tarquinio Merula (ca.1594-1665)
Biagio Marini (ca.1595-1665)
Heinrich Scheidemann (ca.1595-1663)
Luigi Rossi (1597-1653)
Johann Crüger (1598-1662)
Giovanni Battista Fasolo (ca.1600-1664)
William Lawes (1602-1645)
Pier Francesco Cavalli (1602-1676)
Caspar Kittel (1603-1639)
Giacomo Carissimi (1605-1674)
Jakob Johann Froberger (1616-1667)
Matthias Weckmann (ca.1616-1674)
Barbara Strozzi (1619-na 1663)
Juan García de Zéspedes (1619-1678)
Johann Heinrich Schmelzer (1623-1680)
Louis Couperin (ca.1626-1661)
Johann Caspar Kerll (1627-1693)
Jean Henri d'Anglebert (1628-1691)
Nicolas Antoine le Bègue (1630-1702)
Matthew Locke (1630-1677)
Jean-Baptiste Lully (1632-1687)
Guillaume-Gabriel Nivers (1632-1714)
Giovanni Battista Vitali (1632-1692)
Marc-Antoine Charpentier (1634-1704)
Dietrich Buxtehude (1637-1707)
Alessandro Stradella (1639-1682)
André Raison (ca.1640-1719)
Johann Christoph Bach (1642-1703)
Heinrich Ignaz Franz Biber (von) (1644-1704)
Christian Ritter (ca.1645-ca.1725)
John Blow (1648-1708)
Johann Jakob Walther (1650-1717)
Johann Krieger (1651-1735)
Johann Pachelbel (1653-1706)
Georg Muffat (1653-1704)
Arcangelo Corelli (1653-1713)
Vincent Lübeck (1654-1740)
Marin Marais (1656-1728)
Michel-Richard de Lalande (1657-1726)
Giuseppe Torelli (1658-1709)
Henry Purcell (1659-1695)
Alessandro Scarlatti (1660-1725)
Jeremiah Clarke (ca.1660-1707)
André Campra (1660-1744)
Johann Joseph Fux (1660-1741)
Georg Böhm (1661-1733)
Friedrich Wilhelm Zachau (1663-1712)
Michele Mascitti (1663-1760)
Johann Speth (1664-na 1719)
Nicolaus Bruhns (1665-1697)
Johann Kaspar Ferdinand Fischer (1665-1746)
Johann Nicolaus Hanff (1665-ca.1712)
Johann Heinrich Buttstedt (1666-1727)
Jean-Féry Rebel (1666-1747)
Michel Pignolet de Montéclair (1667-1737)
Antonio Lotti (ca.1667-1740)
François Couperin (1668-1733)
Louis Marchand (1669-1732)
Alessandro Marcello (1669-1747)
Andreas Armsdorff (1670-1699)
Giovanni Bononcini (1670-1747)
Antonio Caldara (1670-1736)
Richard Leveridge (ca.1670-1758)
Nicolas de Grigny (1672-1703)
Tomaso Albinoni (1671-1750)
Reinhard Keiser (1674-1739)
Johann Bernhard Bach (1676-1749)
Louis Nicolas Clerambault (1676-1749)
Antonio Vivaldi (1678-1741)
Jan Dismas Zelenka (1679-1745)
Johann Mattheson (1681-1764)
Georg Philipp Telemann (1681-1767)
Johann David Heinichen (1683-1729)
Christoph Graupner (1683-1760)
Jean Philippe Rameau (1683-1764)
Johann Gottfried Walther (1684-1748)
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Georg Friedrich Händel (1685-1759)
Domenico Scarlatti (1685-1757)
William Hieronymus Pachelbel (1685-1764)
Benedetto Marcello (1686-1739)
Sylvius Leopold Weiss (1686-1750)
Willem de Fesch (1687-1757)
Francesco Geminiani (1687-1762)
Joseph Bodin de Boismortier (1689-1755)
Francesco Maria Veracini (1690-1768)
Gottlieb Muffat (1690-1770)
Giuseppe Tartini (1692-1770)
Pietro Locatelli (1693-1764)
Louis-Claude Daquin (1694-1772)
Johan Helmich Roman (1694-1758)
Maurice Greene (1696-1755)
Johann Joachim Quantz (1697-1773)
Jean-Marie Leclair (1697-1764)
Johann Adolf Hasse (1699-1783)
Giovanni Battista Sammartini (1701-1775)
Johann Gottlieb Graun (ca.1702-1771)
Carl Heinrich Graun (ca.1703-1759)
Giovanni Battista Pescetti (ca.1704-ca.1766)
František Xaver Thuri (1939-)

Interpreten van barokmuziek

Solisten/dirigenten
Anner Bijlsma, cello
Frans Brüggen, dwarsfluit, blokfluit, dirigent, piano
Alfred Deller, contratenor
Paul Dombrecht, dirigent, hobo
Reinhard Goebel, viool, dirigent
John Elliot Gardiner, klavecimbel, dirigent
Nikolaus Harnoncourt, cello, viola da gamba, dirigent
Philippe Herreweghe, dirigent
Angela Hewitt, piano
Christopher Hogwood, dirigent
Monica Huggett, viool
Robert Kohnen, klavecimbel
Ton Koopman, orgel, klavecimbel, dirigent
Sigiswald Kuijken, viool, viola da gamba, dirigent
Wieland Kuijken, viola da gamba
Barthold Kuijken, fluit
Gustav Leonhardt, klavecimbel
Hans Martin Linde, fluit, dirigent
Franz Josef Maier, viool, dirigent
Eduard Melkus, viool, dirigent
Marc Minkowski, fagot, dirigent
Rachel Podger, viool
Simon Standage, viool, dirigent
František Xaver Thuri, klavecimbel, orgel, hobo, dirigent
Trevor Pinnock, klavecimbel, dirigent
Karl Richter, orgel, dirigent
Helmuth Rilling, dirigent
Jos van Veldhoven, dirigent
Jaap van Zweden, viool, dirigent

Ensembles
Combattimento Consort Amsterdam
The Amsterdam Baroque Orchestra
Bach-Collegium Stuttgart
Collegium Musicum 90
Concerto Köln
Concentus Musicus Wien
Ensemble Sonnerie
L'orchestre du Louvre
La petite Bande
Linde Consort
London Baroque
Münchener Bach-Chor
Münchener Bach-Orchester
Musica Antiqua Köln
I Musici
Ricercar Consort
The English Concert
The English Baroque Soloists
Collegium Vocale Gent
Europa Galante
The Academy of Ancient Music
Cappella Figuralis
Il Fondamento
Pandora2
Nederlandse Bachvereniging
Bachkoor Holland
Pro Cantione Antiqua


Sinfonia (opera-ouverture)
1. In de 18e eeuw soms een ouverture, intrada of openingsstuk van een cantate, oratorium of opera.

2. De driedelige sinfonia is de voorloper van de symfonie, die vooral van de 2e helft van de 18e eeuw populair werd. Bestaat gewoonlijk uit drie delen: snel - langzaam -snel en de orkestbezetting is kleiner, vaak nog verwant aan het barokorkest met clavecimbel en basso continuo.

Oorspronkelijke naam voor de Italiaanse opera ouverture, sedert A. Scarlatti bestaande uit een snel, een langzaam en een snel deel. Was ook buiten de opera als inleiding tot een groter geheel gebruikelijk. Sedert ca 1650 en in de achttiende eeuw gebruikte men sinfonia ook voor de sonatevorm.

Sona­tes voor toetsinstrumenten en composities voor orkest in een soortgelijke vorm werden aan het begin van de achttiende eeuw beïnvloed door de Italiaanse opera-ouverture (sinfonia), die rond 1700 een vorm had van drie delen in de volgorde snel-langzaam-snel: een allegro, een kort lyrisch andante en een fi­nale in het ritme van een of andere dans, zoals een menuet of een gigue. Om­dat zulke ouvertures meestal geen muzikale relatie hadden met de daarop vol­gende opera, konden ze in concerten als zelfstandige stukken worden uitgevoerd. Het was rond 1730 dan ook vanzelfsprekend voor Italiaanse com­ponisten dat ze concertsinfonia's gingen schrijven waarbij de algemene opzet van de opera-ouverture werd aangehouden - hoewel de vroegste voorbeelden wat betreft hun structurele en texturele bijzonderheden en hun thematische stijl evenzeer zo niet meer werden beïnvloed door de traditie van het concer­to en de triosonate uit de laat-barok. Een van de vroege werken in dit genre, de Symfonie in F-majeur (ca 1744) van G.B. Sammartini (1701-1775) uit Mi­laan, heeft een bezetting van twee violen, een altviool en een bas en is in drie delen: Presto, Andante en Allegro assai.
Behalve Sammartini waren er nog enkele andere Italianen wier werken belangrijk waren voor de geschiedenis van de symfonie, de operacomponisten Rinaldo di Capua (ca 1710-ca 1780), Baldassare Galuppi (1706-1785) en Niccolo Jommelli (1714-1774). Componisten in Duitsland, Oostenrijk en Frankrijk volgden spoedig het voorbeeld van de Italianen, zodat ongeveer van­af 1740 de symfonie geleidelijk het concert verdrong als de belangrijkste vorm van orkestmuziek.


Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur e-mail


muziekeddy



Regelmatige bezoeker
Regelmatige bezoeker
Lid sinds: 9-2-2007
Antw.: 60
Zo Feb 18, 2007 12:36 pm Reageer met quote

Pizzicato

De Italiaanse muziekterm pizzicato betekent voor strijkers dat in plaats van met de strijkstok de snaren met de vingertop van een van de vingers van de rechterhand getokkeld worden. De strijkstok wordt daarbij meestal in de hand gehouden. Met name voor de contrabas wordt veel pizzicato gebruikt. Aan Monteverdi wordt de introductie van pizzicato voor de viool toegeschreven.

Een beroemd stuk waarin pizzicato tot het uiterste wordt toegepast is de Pizzicato Polka van Johann Strauss jr.. In dit stuk wordt in het geheel niet gestreken. Sommige dirigenten verlangen desondanks dat de spelers de overbodige strijkstok vasthouden.

In Zweedse en Hongaarse volksmuziek wordt een enkele keer pizzicato met de linkerhand gespeeld, het betreft dan meestal een open snaar. De virtuoos Niccolo Paganini was hier een meester in.

De contrabas bij pop- of jazzmuziek wordt vrijwel altijd pizzicato gespeeld. Door het vele plukken aan de snaren ontstaat in dat geval al snel een laag eelt op de vingertoppen. Bij pizzicatospel zonder het eerst opbouwen van eelt ontstaan snel blaren op de vingertoppen, vooral bij contrabassisten.

Het aanstrijken van de snaren wordt arco (= boog, strijkstok) genoemd. In muzieknotatie wordt arco geschreven wanneer het deel dat pizzicato (pizz.) gespeeld moest worden is afgelopen.


Basso continuo

Basso continuo is een manier van het begeleiden van westerse klassieke muziek die vooral in de barokmuziek veel gebruikt werd. De italiaanse muziekterm Basso continuo wordt soms afgekort tot continuo. De naam wordt soms ook gebruikt voor de instrumenten die de begeleiding spelen.

De basso continuo is het geïmproviseerde versierende en aanvullende spel inclusief basis van de harmonie en altijd uitgeschreven baslijn. De harmonieën zijn weergegeven door middel van een cijfersysteem onder de basnoten, de zogenaamde becijferde bas.

Veel instrumenten kunnen de basso continuo spelen; welke het doen is vaak een kwestie van smaak of beschikbaarheid. De basis is de uitgeschreven bas, vaak uitgevoerd door de cello of gamba. Daarnaast is er sprake van een versierend en impoviserend akkoordinstrument, zoals klavecimbel, orgel (in de kerk) of luit (bij kleine bezettingen).

De basso continuo is ontstaan als een verkorte notatie van de harmonie als hulpmiddel voor de leidende (dirigerende) orgelspeler. Deze kon nu in een oogopslag akkoorden ter ondersteuning geven en tegelijkertijd aandacht hebben voor andere deelnemers aan het musiceerproces. Deze uitvoeringspraktijk werd vooral tijdens de barok gebruikt, maar sinds de Klassieke Periode vanaf ongeveer 1775 steeds minder toegepast. Voorbeelden uit de 19e eeuw zijn nog zeldzamer; de componist Anton Bruckner gebruikte voor zijn marsen een basso continuo voor de orgelpartij, daarbij verwijzend naar de oudere stijl.

In moderne uitgaves van werken met een basso continuo begeleiding, is deze meestal helemaal uitgeschreven, zodat er geen beroep op het improvisatievermogen van de uitvoerende artiest hoeft te worden gedaan.





Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur e-mail


muziekeddy



Regelmatige bezoeker
Regelmatige bezoeker
Lid sinds: 9-2-2007
Antw.: 60
Di Feb 20, 2007 3:29 pm Reageer met quote

Anthem (compositie)

Anthems zijn composities in de Engelse kerkmuziek voor koren, met of zonder solopartijen, die worden gezongen in de ochtend- en avonddiensten van de Anglicaanse Kerk, de zogeheten Morning Prayers en Evensong. De term anthem is afgeleid van het Griekse antifona (antifoon).

De Morning Prayers zijn vergelijkbaar met de lauden, de Evensong heeft veel overeenkomsten met vespers. Anthems werden en worden gecomponeerd door vele Engelse componisten. William Byrd en Thomas Tallis schreven in de zestiende eeuw al anthems. In hun voetspoor schreven bijvoorbeeld Orlando Gibbons, William Boyce, Maurice Greene, Samuel Wesley, Charles Villiers Stanford, Edward Elgar, Ralph Vaughan Williams, Herbert Howells, John Ireland, John Rutter en Bob Chilcott talrijke composities.

Voor feestelijke gelegenheden schreven componisten anthems voor grote bezettingen, zoals de verschillende Coronation Anthems en Chandos Anthems van Georg Friedrich Händel. Ook Henry Purcell schreef in opdracht van het Engelse hof anthems voor grote bezetting, zowel voor koninklijke verjaardagen als voor begrafenissen (Funeral Anthems for Queen Mary).

Met de National Anthem bedoelt men in het Verenigd Koninkrijk het nationale volkslied, God save the Queen.

Bourrée

De bourrée is een Franse traditionele dans. De meeste bourrées worden in rijen van paren gedanst, en de muziek is meestal in een tweekwarts- of driekwartsmaat. Bourrées in driekwartsmaat worden ook wel montagnardes genoemd.

Er bestaan in Frankrijk echter veel regionale variaties op de bourrée. In bijvoorbeeld Auvergne zijn bourrées populair die door twee paren in een kruis worden gedanst.

De bourrée was rond 1700 ook populair in landen buiten Frankrijk, zoals Nederland en Duitsland. Zo zijn er bourrées te vinden in Nederlandse muziekbundels uit die tijd zoals Oude en Nieuwe Hollantse Boerenlieties en Contredansen, en in de werken van Johann Sebastian Bach.

De bourrée is buiten Frankrijk tegenwoordig populair op folkbals in Nederland, België (zoals het Boombal) en Duitsland.


Tempo (muziek)

Onder het tempo (van Italiaans tijd, meervoud: tempi) wordt in de muziek de snelheid verstaan waarmee een muziekstuk gespeeld wordt. Ter aanduiding van het tempo worden enkele Italiaanse termen gebruikt, zoals: allegro, vivace, presto e.d., waarmee globaal het tempo bepaald is. Voor een nauwkeuriger aanduiding wordt de duur van een bepaalde noot vastgelegd, door verwijzing naar de metronoom.

In oude Europese muziekstukken stond veelal een aanduiding als tempo giusto ofwel het juiste tempo. Later gebruikten componisten ter aanduiding van het tempo een reeks Italiaanse termen, waarmee al iets meer duidelijk werd over het te spelen tempo. Weer later, na de uitvinding van de metronoom, werd het gebruikelijk het tempo aan te geven met een metronoomaanduiding. Men noteerde een noot met daarachter een getal dat aangeeft hoeveel van deze noten per minuut gespeeld moeten worden. Ook schreef men wel: MM 100, als afkoring van Maelzels metronoom 100, aangevend dat men de metronoom op 100 tikken per minuut moest instellen. Afhankelijk van de maatsoort is dan het tempo bepaald.

Een andere maat voor het tempo, die vooral in moderne muziekgenres zoals dance wordt gebruikt, is het aantal beats per minute (afgekort BPM, slagen per minuut). Hiphop gebruikt typisch tempo's tussen 85 en 120 BPM terwijl dit bij house eerder 110-140 is. Twee nummers vlekkeloos in elkaar laten overlopen door de 2e plaat te versnellen/vertragen totdat die dezelfde BPM heeft als de plaat ervoor heet beatmixing.

Tempi en de metronoom

Hieronder staat een overzicht van de verschillende benamingen voor de tempi met daarachter het aantal tikken per minuut waarmee deze overeenkomen.
De zeer langzame tempi:

Grave: minder dan 40
Lento: 40 - 48
Largo: 40 - 60
Adagio: 66 - 76
De matig langzame tempi:

Andante: 69 - 84
Andantino: 76 - 90
De matig snelle tempi:

Moderato: 108 - 120
Allegretto: 108 - 120
De snelle tempi:

Allegro: 126 - 138
Vivace: 144 - 160
Allegro vivace: 152 - 168
De zeer snelle tempi:

Allegro assai: 168 - 192
Presto: 168 - 192
Prestissimo: 200 - 208

Terminologie voor tempoverandering

Accelerando (accel.): versnellend
A tempo: terugkeer naar het tempo van voor de verandering
Meno Mosso: minder beweeglijk, langzamer
Più Mosso: beweeglijker, sneller
Poco: een beetje
Rallentando (rall.): vertragend
Ritardando (rit.): vertragend
Ritenuto: een beetje langzamer
Tempo Primo: weer naar het aanvankelijke tempo (meestal aan het begin van een nieuw gedeelte)


Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur e-mail


muziekeddy



Regelmatige bezoeker
Regelmatige bezoeker
Lid sinds: 9-2-2007
Antw.: 60
Vr Feb 23, 2007 11:07 pm Reageer met quote

Triller

De triller is een versiering van een muzieknoot die bestaat uit een snelle afwisseling tussen de hoofdtoon en de grote of kleine bovensecunde. Een triller wordt aangegeven met een golvend lijntje boven de noot of met de afkorting tr.

Met name in de Barokmuziek bestaan er veel verschillende soorten trillers, waaronder:

pralltriller
mordent

Andante

Andante is een van oorsprong Italiaanse muziekterm die aangeeft in welk tempo een muziekstuk gespeeld moet worden. Letterlijk betekent het rustig gaand. Andante behoort tot de matig langzame tempi. Het metronoomcijfer komt neer op 69 tot 84, dus 69 tot 84 tellen per minuut.

Andantino

Andantino is een van oorsprong Italiaanse muziekterm die aangeeft in welk tempo een muziekstuk gespeeld moet worden. Vóór 1800 was dit tempo iets langzamer dan andante, na 1800 is andantino iets sneller geworden dan andante. Andante behoort tot de matig langzame tempi. Het metronoomcijfer komt neer op 76 tot 90, dus 76 tot 90 tellen per minuut.


Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur e-mail


muziekeddy



Regelmatige bezoeker
Regelmatige bezoeker
Lid sinds: 9-2-2007
Antw.: 60
Zo Feb 25, 2007 12:21 pm Reageer met quote

Syncope (muziek)

Voorbeeld van off-beat syncopes: de middelste drie noten a, c en e beginnen niet op de telIn de muziek spreekt men van een syncope wanneer een of meerdere tonen niet op de tel of puls vallen, waardoor een of meerdere normale accenten verlegd worden.
De syncope wordt in de muziek gebruikt om het accent te verleggen, om het accent op een andere dan de gebruikelijke / verwachte plaats aan te brengen.




In een 4/4-maat bijvoorbeeld zijn de eerste en de derde tel de zware tellen, de tweede en de vierde de lichte. Normaliter worden de accenten dus op 1 en 3 gelegd. Van een syncope kan sprake zijn wanneer de nadruk op de 2e en de 4e tel komt te liggen.

Een andere vorm van syncope is het introduceren van een achtste noot in een vierkwartsmaat, waardoor het ritme van de maat een halve tel verlegd wordt. Deze vorm, de off-beat, legt de nadruk op een voor de toehoorder onverwachte plaats.

Een andere afwijkende vorm van de syncope is de missed-beat, waar op de plaats waar de nadruk zou moeten liggen de noot vervangen is door een rust. Dit wordt ook wel een 'luide rust' genoemd.


Voorbeeld van een 'luide rust'
Door de techniek toe te passen verlegt men het ritmische accent van de muziek. Het wordt toegepast in vrijwel alle muziekstijlen en vormt een essentieel onderdeel van het ritme van stijlen als bijvoorbeeld ragtime, jazz en salsa.





Coda (muziek)

Coda is een teken in de muzieknotatie en is afkomstig van het Italiaanse staart. Met het coda wordt het slotdeel bedoeld van een compositie, of een deel daarvan. Het coda wordt gebruikt in zogeheten da Capo stukken.


Operette

Een 'operette' (letterlijk 'kleine opera') is een vorm van muziektheater die erg lijkt op opera, alhoewel de onderwerpen vaak minder serieus zijn. De muzikale nummers (aria's, duetten, ensembles, koorwerken) worden veelal door gesproken dialogen aan elkaar verbonden, al dan niet ondersteund door melodrama.


Geschiedenis
Operette ontwikkelde zich rond het midden van de 19e eeuw, als antwoord op de steeds langer en serieuzer wordende Franse opéra comique. De toevoeging "comique" was omstreeks dezelfde tijd een rekbaar begrip geworden in de opera; Carmen (1875) is een voorbeeld van een opéra comique met een tragisch plot.

Jacques Offenbach wordt algemeen gezien als grondlegger van het genre en zijn Orphée aux enfers (1858) (Orpheus in de onderwereld) als eerste operette. Offenbach bediende zich vooral van parodie en satire. Hij werd in Frankrijk opgevolgd door Charles Lecocq, Edmond Audran en Robert Planquette, die zich meer toelegden op romantische geschiedenissen.

Franz von Suppé "vertaalde" de Franse operette naar de Weense traditie, maar het was Johann Strauss jr. (1825-1899) die de belangrijkste operettecomponist werd van de zgn. Gouden Periode. Zijn eerste werk in het genre was Indigo und die vierzig Räuber (1871). Zijn derde operette werd de meest gespeelde over de hele wereld: Die Fledermaus (1874). Andere componisten uit deze periode waren Karl Millöcker, Carl Zeller en Richard Heuberger. De Weense traditie werd voortgezet door Franz Lehár, Oscar Straus, Leo Fall en later Robert Stolz. Emmerich Kálmán werd de componist bij uitstek van de Hongaarse operette. Met Die lustige Witwe (1905) luidde Franz Lehár de Zilveren Periode in. Waar in de Gouden Periode de dans een belangrijk onderdeel was van iedere operette (can-can bij Offenbach, wals bij Strauss), daar werd de dans in de Zilveren Periode een integraal onderdeel van de handeling.

In Berlijn ontstond de zgn. 'revue-operette' door componisten als Paul Lincke, Paul Abraham, Ralph Benatzky, Fred Raymond en Walter Kollo. De wals werd vervangen door de mars.

Kurt Weill ontwikkelde vanuit de operette met Die Dreigroschenoper zijn geheel eigen stijl.

De Engelse operette kan in twee namen worden samengevat: Gilbert en Sullivan. Buiten Engeland wist alleen The Mikado zich in het ijzeren repertoire te nestelen.

Operette is als genre min of meer naadloos overgegaan in musical. De musical ontwikkelde zich vooral vanuit de Berlijnse 'revue-operette' en de Engelse 'musical comedy'. Jerome Kerns "Show Boat" (1927) wordt gezien als de eerste musical, lijkt in structuur en compositie nog sterk op een operette, maar is het eerste werk waarin muziek, tekst en dans volledig in dienst staan van de handeling.


Operette in Nederland
Ook in Nederland was er - in bescheiden mate - sprake van operette van eigen bodem, die vooral in de eerste helft van de 19e eeuw ook veelvuldig werden opgevoerd. De Koningin van Montmarte van Vada Ennem werd hiervan de populairste.

Operette-uitvoeringen waren er in Nederland echter veelvuldig. Al in 1862 was Offenbachs Orphée aus enfers in Amsterdam te zien en spoedig stonden ook de Weense operettes hier op het repertoire, zij het meestal uitgevoerd door buitenlandse gezelschappen. Het eerste echt Nederlandse gezelschap was Operettegezelschap Kreeft en Buderman, gevolgd door het Hollandsch Operettegezelschap van Nap de la Mar. Tot aan de Tweede Wereldoorlog bestonden er al zo'n veertig gezelschappen, die echter geen van alle een lang leven beschoren waren, met uitzondering van Die Haghezangers (1918-1931) en De Operettezangers (1932-1949) van Carré-directeur Wunnink met Johannes Heesters in de hoofdrol.

In 1926 werd de Fritz Hirsch Operette opgericht, die zich vooral bediende van Duitse en Oostenrijkse zangers, waaronder ook Richard Tauber. In 1945 werd de Fritz Hirsch Operette opgevolgd door de Hoofdstad Operette, die - eerst onder leiding van Meyer Hamel, later onder zijn vrouw Netty en zijn zoon Philip - 55 jaar lang de operette in de Nederlandse theaters hield. Bij dit gezelschap werd lange tijd het gezicht bepaald door Nederlands talent als o.a. Jan Handerson, Mizzi van der Lans, Marga de Boer, Germaine Compier, Jacco van Renesse, Anita Heins en Antoni Wink.

Door het onvermogen het gezelschap van binnenuit te vernieuwen en het genre op een moderne wijze voor het voetlicht te brengen, werd in 2000 de subsidie door het Rijk stopgezet. Daarmee viel voor de Hoofdstad Operette het doek. In oktober 2006 zal het nieuwe Nederlands Operette Theater Offenbachs La vie parisienne met moderne middelen en elementen uit de musical op het toneel brengen, om zo het genre ook voor te toekomst als levende kunstvorm te behouden.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_operettes


Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur e-mail


muziekeddy



Regelmatige bezoeker
Regelmatige bezoeker
Lid sinds: 9-2-2007
Antw.: 60
Di Feb 27, 2007 11:59 pm Reageer met quote

Libretto

Libretto (Italiaans voor boekje; meervoud: libretti) is de gangbare benaming voor het tekstboekje van een opera, operette of musical. In wijdere zin is een libretto de tekst, bestaande uit dialogen en regieaanwijzingen, die ten grondslag ligt aan een theatrale opvoering met muziek.

Pietro Metastasio (1698-1782) was de overheersende librettist in de achttiende eeuw. Talloze opera's zijn op zijn teksten gecomponeerd.

Ook Lorenzo da Ponte (1749-1838) schreef een lange reeks libretti, maar zijn roem zal eeuwig verbonden blijven met het libretto van de drie grote Mozart-opera's Le nozze di Figaro (1786), Don Giovanni (1787) en Così fan tutte (1790). Na dit illustere drietal schreef Wolfgang Amadeus Mozart in zijn twee laatste levensjaren nog twee werken die tot het ijzeren operarepertoire behoren: La clemenza di Tito op een libretto van Metastasio en Die Zauberflöte op een tekst van Emanuel Schikaneder.

Een vruchtbaar librettist was Eugène Scribe, die, samen met de componist Giacomo Meyerbeer en de theaterdirecteur Véron de grand opéra belichaamde, een operagenre dat rond 1830 in Parijs tot bloei kwam.

Andere bekende samenwerkingen zijn die tussen Arrigo Boito en Giuseppe Verdi en die tussen Hugo von Hofmannsthal en Richard Strauss

Sommige componisten schreven hun eigen libretti. Richard Wagner is wel het bekendste geval, maar ook bijvoorbeeld Hector Berlioz schreef de tekst van zijn opera Les Troyens.


Polka

Een polka is een in West-Europa veel voorkomende dans voor paren, meestal in de maatsoort 6/8. De oorsprong van de naam van deze danssoort - de naam zegt het al - moet gezocht worden in de Poolse muziek.

Oorspronkelijk komt de Polka uit het Tsjechische Bohemen en is dus niet een Poolse (zoals vaak gedacht) maar Tjechische muziek en dans vorm. Het heeft de huidige naam gekregen als een eerbetoon aan de Poolse November revolutie.

De basispas van een polka lijkt veel op huppelen, iets dat de 6/8 maatsoort ondersteunt. De partners draaien aan het einde van iedere maat een halve slag om elkaar heen. Een langzamer polka (glijpolka) wordt meestal niet in 6/8 maar in 2/4 gespeeld.


Wals (muziek)

De wals is danssoort die oorspronkelijk uit Zuid-Duitsland en Oostenrijk komt. Kenmerkend is de 3/4-maat, al komen in Latijns-Amerika ook walsen in 6/8-maat voor.

Bekende danswalsen zijn geschreven door Josef Lanner, Johann Strauss sr., diens zoon Johann Strauss jr. en Pjotr Iljitsj Tsjaikovski. Daarnaast werden er ook walsen geschreven die vooral bedoeld waren voor uitvoeringen, bijvoorbeeld door Frédéric Chopin, Franz Liszt, Johannes Brahms, Gustav Mahler en vooral door Johann Strauss jr.

Franz Schubert schreef meerdere walsen voor o.a. piano.

Engelse wals

De Engelse wals is een stijldans die in 1921 is ontstaan. De voorloper van de Engelse wals is de Boston, die reeds in 1874 vanuit Amerika werd ingevoerd. Rond 1926 kreeg de dans pas de vorm zoals wij die nu kennen. Het woord wals betekent letterlijk draaien.

De muziek waarop een Engelse wals wordt gedanst heeft een driekwartsmaat en standaard tussen de 28 en 31 maten per minuut. Kenmerkend bij het dansen is het romantische en langzame karakter en het rijzen op tel twee en dalen op tel drie, waardoor de dans een 'golvend' element krijgt.De passen van deze dans zijn heel zwierig en soepel. Ze lopen in een vloeiende beweging door. Dit wordt bereikt door bij de voorwaartse passen over de hak en de achterwaartse passen over de bal van de voet zo laag mogelijk door de knieën te gaan, afgewisseld met hoge passen over de tenen. De hele dansvloer wordt tijdens de dans benut.

Basispassen en variaties

De basispassen zijn als volgt: De heer stapt met de rechtervoet over de hak naar voren, terwijl de dame met haar linkervoet over de bal naar achteren gaat. Vervolgens stapt de heer met zijn linkervoet opzij naar links, daarbij op de tenen blijvend, en sluit met rechts aan, daarbij hoog blijvend. De dame stapt opzij naar rechts en sluit met haar linkervoet aan en blijft ook hoog op de voet. Dit vindt plaats in één enkele maat. Pas op de eerste tel van de volgende maat daalt men op de hak en vertrekt meteen met de linkervoet naar voren (de heer) en de rechtervoet naar achteren (de dame). Tel 2 en 3 is weer opzij stappen en aansluiten, maar dan gespiegeld aan de eerste maat. Bekende basisvariaties in de Engelse wals zijn de spinturn, de weave, de telemark een de throwaway oversway.


Weense wals

De Weense wals is een parendans in een tamelijk snelle driekwartsmaat (standaard 56 tot 60 maten per minuut), in tegenstelling tot de langzamere Engelse wals (28 tot 31 maten per minuut). Lang niet alle muziek in driekwartsmaat en met dit tempo is geschikt als Weense wals. Kenmerkend voor de muziek van de Weense wals is het iets uitstellen van de tweede en derde tel (het na-pikken van met name de altviolen). De eerste tel is in een Weense wals met grote nadruk aanwezig. Beluister de fragmenten op salonensemble Bonjour madame.

De Weense wals als dans is omstreeks de 12e à 13e eeuw ontstaan aan het hof. Hij werd door de rijken in de grote balzalen op de paleizen gedanst als er feest was. De Weense wals is oorspronkelijk van Duitse afkomst en werd in het begin "Duitse" genoemd. De bekende walscomponist Strauss heeft meer dan 300 muziekwerken (waaronder vele walsen) geschreven en overtrof daarmee veruit zijn vader (Johann sr.) Aan het eind van de 18e eeuw werd de naam wals aan deze dans gegeven, de eerste echte (Weense) walsmelodie dateert dan ook uit 1770, "Ach du lieber Augustin" (in Nederland ook bekend als het sinterklaasliedje Luister: daar wordt aan de deur geklopt).

De Weense Wals wordt onmiskenbaar gedomineerd door de muzikale familie Strauss.

Bekende wals-componisten

Johann Strauss sr.
Johann Strauss jr. → An der schönen Blauen Donau
Joseph Strauss → Dorfschwalben aus Österreich
Eduard Strauss
Johann Strauss III
Oscar Strauss
Joseph Lanner
Franz von Suppé → Dichter und Bauer
Franz Lehár → Gold und Silber
Richard Heuberger → Im Chambre Séparée
Robert Stolz → Mein Liebeslied muss ein Walzer sein
Emmerich Kálmán → Gräfin Mariza
Leopold Godowsky → Alt-Wien
Fritz Kreisler → Caprice Viennois
Joseph Gungl
Carl Michael Ziehrer → Wiener Bürger
Emile Waldteufel → Les Pâtineurs (Schaatsenrijderswals)
Métra
Frédéric Chopin
Johannes Brahms


Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur e-mail


muziekeddy



Regelmatige bezoeker
Regelmatige bezoeker
Lid sinds: 9-2-2007
Antw.: 60
Vr Mrt 02, 2007 11:58 am Reageer met quote

Mars (muziek)

Een mars is een muzikaal, ceremonieel genre dat vooral in militaire kringen wordt gebruikt.

Kenmerken
Een mars staat altijd in een binaire maatsoort, een duidelijk streng te volgen cadens die zeer herkenbaar is; ook het metronoomcijfer ligt meestal vast in de meeste ceremonieboeken (120 à 140). Het toongeslacht is meestal majeur om zo een melodie te verkrijgen die, uiteraard, vrolijk is. Meestal is er een duidelijk thema en neventhema aanwezig zodat elke mars zijn eigen karakter krijgt. Dit wordt versterkt door het eerste thema te herhalen in een ABA-structuur.

Gebruik

Militair gebruik
In militaire kringen worden marsen vooral gebruikt om de cadans aan te geven en het morele peil hoog te houden. Elke legercomponent had zijn eigen blaaskapel die een eigen repertoire aan marsen had/heeft. Zo zal een mars van de marine totaal anders klinken dan die van de cavalerie. Vroeger bestonden er alleen hoorns en bazuinen en een beperkt slagwerk om militaire signalen aan te geven.

In België is het Groot Harmonieorkest van de Belgische Gidsen zeer bekend om het schitterend uitvoeren van Belgische Marsen. Nederland kent een aantal beroepskapellen zoals de Marinierskapel der Koninklijke Marine, de Koninklijke Militaire Kapel, de Kapel van de Koninklijke Luchtmacht, de Johan Willem Friso Kapel en het Trompetterkorps der Bereden Wapens.

Civiel gebruik
In 19e eeuwse civiele kringen werden marsen gebruikt op mondaine feesten en bals om een militaire sfeer te benadrukken naast de vrolijke sfeer van de wals en de polka. Vooral de familie Strauss is zeer gekend omwille van zijn marsen. Daarnaast komen ook in opera's en balleten wel eens marsen voor.

Daarnaast bestaan er ook processiemarsen voor het katholieke gebruik, en dodenmarsen; de zogenaamde Marche Funèbre.


Bekende marsen
Radetzky Mars, Op.228 (1848) door Johann Strauss I;
geschreven ter ere van de Oostenrijkse generaal Joseph Radetzky, die Italiaanse rebellen had verslagen in Custozza.

Pomp And Circumstance March No. 1; door Sir Edward Elgar (1857-1934)
Grote Mars uit Aida ; door Giuseppe Verdi (1813-1901)
Mars uit de Notenkraker - suite ; door Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893)
Joyeuse Marche (Marche française) ; door Emmanuel Chabrier (1841 - 1894)
The Washington Post; door John Philip Sousa (1854-1932)
The Stars And Stripes Forever; door John Philip Sousa
Colonel Bogey ; door Kenneth Alford (1881-1945)
Einzug der Gladiatoren; door Julius Fucik (1872-1916)
Alte Kameraden; door Carl Albert Hermann Teike (1864-1922)
Mars der Medici; door Johan Wichers (1887-1956, Oldenzaal) In 1938 geschreven na een langdurig ziekenhuisverblijf, als dank aan zijn medici voor zijn genezing.
Herauten Mars; door Johan Wichers
Glück auf; door Johan Wichers
Imperator; door Johan Wichers
Huzarenmars: door Hendrik Karels (1850-1927)


Forte

Forte is een Italiaanse muziekterm voor dynamiek waarmee aangegeven wordt dat de speler luid moet spelen. In uitgeschreven partijen wordt forte aangegeven met een f (altijd in een vette cursieve schreefletter), onder de te spelen partij (of bij een op twee balken per regel genoteerde partij zoals voor piano) tussen de balken.

Een nog sterkere, luidere vorm van forte is Fortissimo, geschreven als ff. De meest luide vorm is Fortississimo, wat dan weer geschreven wordt als fff.


Pianissimo

Pianissimo is een italiaanse muziekterm voor dynamieknotatie die aangeeft dat een passage zeer zacht gespeeld moet worden. Pianissimo wordt aangegeven met pp in vette cursieve schreefletters onder de betreffende partij, en in partijen met twee balken zoals voor piano tussen de balken, tenzij beide balken verschillende dynamiek benodigen.


Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur e-mail


muziekeddy



Regelmatige bezoeker
Regelmatige bezoeker
Lid sinds: 9-2-2007
Antw.: 60
Za Mrt 17, 2007 12:05 pm Reageer met quote

Cadens

Onder cadens (toonval, vroeger cadans geheten, van Latijn cadere, vallen) wordt in de muziektheorie verstaan: een opeenvolging van tonen of akkoorden, die de toonsoort definieert en daarmee een voorlopig of definitief rustpunt in de muziek betekent. In geval van tonen spreekt men van een melodische cadens, bij akkoorden van een harmonische cadens. Om een toonsoort hoorbaar te maken, wordt gebruikgemaakt van drie belangrijke tonen:

tonica (T),
dominant (D) en
subdominant (S)
of hun harmonische functie in de drieklanken op deze tonen: tonica-drieklank (I), dominant-drieklank (V) en subdominant-drieklank (IV).

De tonica is de grondtoon van de toonsoort, de dominant het spanningspunt, de subdominant het ontspanningspunt. Wanneer een subdominant door een bijbehorende dominant wordt gevolgd, is de tonica al in de voorstelling aanwezig, als oplossing 'op afstand'. In feite is het dus mogelijk, een toonsoort hoorbaar te maken, zonder de feitelijke grondtoon te spelen; een merkwaardig verschijnsel, dat in de zwevende tonaliteit wordt gebruikt.

Men verdeelt cadensen in
volledige, waarin alle drie de functies voorkomen en
onvolledige, waarin er slechts twee voorkomen.
De onderscheidt de volgende cadensen:

authentiek, of volledig slot: T-S-D-T of I-IV-V-I,
plagaal: T-S-T of I-IV-I,
bedrieglijk slot: na de D of V volgt niet T of I, maar een daarop lijkende toon of akkoord
open einde, of halfslot: T-D of I-V.

Voorbeelden van eenvoudige cadensen in C-groot




Soloconcert
Naast de bovenstaande betekenis wordt met cadens of cadenza ook de vrije improvisatie aangeduid door de solist tegen het einde van het eerste gedeelte van een soloconcert


Modulatie (muziek)

In de muziektheorie wordt onder modulatie de verandering van toonsoort verstaan.

Dit betekent, dat modulatie alleen mogelijk is in tonale muziek. De modulatie kan plotseling of geleidelijk geschieden, maar verloopt doorgaans middels een cadens. Bij de plotselinge modulatie is er sprake van het plotseling optreden van akkoorden uit een andere toonsoort, in de vorm van een cadens. Bij de geleidelijke modulatie wordt via een of meer gemeenschappelijke akkoord(en) de overgang naar de andere toonsoort eerst gemaskeerd, en pas bij de dominant hoorbaar. Het gemeenschappelijke akkoord heet spilakkoord.

In de tweede helft van de 19e eeuw ontstond een muziek, die continu moduleerde en zelden lang in een toonsoort verbleef. De latere opera's van Wagner en met name het werk van Skrjabin en Reger zijn goede voorbeelden van wat zwevende tonaliteit wordt genoemd; een muziek met weinig tonica's, en vooral veel (gealtereerde) subdominanten en dominanten.


Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur e-mail


Pagina 1 van 1

Dit onderwerp is gesloten. Het plaatsen of bewerken van berichten is niet mogelijk